Suriname praat al jaren over de landbouw als zijnde een belangrijke pijler van de economie. Een vorige president zei eens, dat Suriname de voedselschuur van de regio zou worden. We beschikken over vruchtbare gronden, voldoende zon, water en een klimaat, waarin veel gewassen kunnen worden geteeld. Maar het land is tot nog toe voor een groot deel van zijn voedselvoorziening afhankelijk van import.
Waarom lukt het ons nog steeds niet, meer van ons eigen voedsel zelf te produceren?
Het probleem ligt niet bij gebrek aan het beschikbare potentieel, maar aan de manier waarop de landbouw is georganiseerd en ondersteund. Kleine boeren hebben te vaak beperkte toegang tot financiering, moderne machines, goed plantmateriaal, goede irrigatie, opslag en afzetmarkten. De groep die afhankelijk is van veel water en vervolgens geen zekerheid heeft over de verkoop van de oogst, neemt bovendien een groot financieel risico. Daar komt bij, dat geïmporteerd voedsel soms goedkoper op de markt verschijnt, dan lokaal geproduceerde producten. Een Surinaamse boer moet vervolgens concurreren met producten uit landen waar landbouw op veel grotere schaal plaatsvindt en waar producenten heel vaak kunnen rekenen op subsidies, goedkopere productiemiddelen en of een betere infrastructuur. Zonder een doordacht landbouwbeleid wordt de lokale producent daardoor al snel de zwakkere c.q. verkiezende partij.
Voedselproductie is meer dan een economische activiteit, ze raakt ook de voedselzekerheid. Een land dat voor een groot deel afhankelijk is van import, blijft zeer kwetsbaar wanneer internationale prijzen stijgen, transport wordt verhoogd of exporterende landen hun eigen voedselvoorziening voorrang geven. De consument merkt dat zeker en uiteindelijk in de winkel. Suriname hoeft niet alles zelf te produceren. Dat zou ook niet realistisch zijn. Wel kan het land veel strategischer bepalen, welke producten lokaal geproduceerd kunnen worden en welke investeringen daarvoor nodig zijn. Dat betekent investeren in met name irrigatie, landbouwwegen, opslag, verwerking, technologie en kennis. Ook moeten boeren gemakkelijker toegang krijgen tot financiering en moeten afzetketens, beter worden georganiseerd.
Daarnaast ligt er een taak voor consumenten en de overheid. Wie de lokale productie wil verhogen en krachtiger maken, moet ervoor zorgen, dat lokaal geproduceerde goederen daadwerkelijk kunnen concurreren qua prijs en kwaliteit. Het heeft weinig zin boeren op te roepen meer te produceren, wanneer zij vervolgens geen stabiele markt en afzet hebben. De komende olie-inkomsten bieden Suriname de kans structureel te investeren in sectoren die ook ná de olie-economie waarde en toekomst blijven hebben. Landbouw kan zo’n sector zijn. Maar dan moet landbouw eindelijk worden behandeld als een waardige strategische economische sector en niet alleen als een deel van de economie dat bij verkiezingen of crisissituaties opnieuw wat aandacht krijgt.
Een land dat zijn bodem, boeren en voedselproductie niet serieus ontwikkelt, blijft uiteindelijk afhankelijk van anderen, met alle gevolgen van dien.