In zijn meest recente mediaoptredens, vertoont ABOP-leider Ronnie Brunswijk, opnieuw de voor hem zo kenmerkende houding: een constante schommeling tussen zelfverheerlijking, slachtofferschap en nauwelijks verhulde dreigementen. Opeens werpt hij zich op als de grote verlosser van de rijstboeren door de aanschaf van een padiepelmolen, waarbij hij commerciële belangen zonder enige schroom direct verweeft met politiek gewin en het ronselen van stemmen. Wanneer hem vragen worden gesteld over de ethische verwevenheid van zijn parlementslidmaatschap en zakelijke activiteiten, wimpelt hij die laconiek af met de mededeling, dat het bedrijf formeel op naam van zijn zoon staat. Zodra het gesprek zich verplaatst naar de verhoudingen binnen de coalitie, slaat de toon om naar grieven over ABOP-toppers die bij overheidsbedrijven en instanties zoals TAS, Grassalco en de politie, worden doorgelicht of vervangen. Brunswijk klaagt dat zijn mensen “voor de haaien worden gegooid” en schuwt het chantagewapen niet: als de “emmer overloopt”, stapt de ABOP uit de regering. Het is een doortrapte mix van misplaatst superioriteitsgevoel, chantage en bestuurlijke roekeloosheid.
Deze chantagepolitiek is niet nieuw. De ABOP kent een lange historie van politieke druk en dreigementen om privileges en patronage veilig te stellen. Waar Brunswijk in eerdere regeringen met een sleutelpositie de boel kon gijzelen, zijn de verhoudingen in het kabinet-Simons echter fundamenteel veranderd. Met slechts 6 DNA-zetels voor de ABOP beschikken de NDP (18 zetels), NPS, PL, BEP en A20 samen over een ruime, gezonde parlementaire meerderheid. De ABOP was wellicht handig bij de eerste samenstelling van de regering, maar is thans politiek volkomen overbodig. Dat de geel-zwarte partij onmisbaar zou zijn geweest voor het vormen van de coalitie, is regelrechte geschiedvervalsing: Simons en Rusland hadden in De Nationale Assemblée immers niet eens een tegenkandidaat. Inhoudelijk brengt de partij geen enkele kennis, expertise of oplossingen aan de regeertafel of in de coalitiefractie. De ABOP fungeert louter als een vijgenblad voor de financiële macht en etnische politieke druk die hen in het verleden tot factor maakten. Brunswijk is dan ook in geen enkele positie om nog langer haantje de voorste uit te hangen. In zijn decennia aan partijpolitiek heeft hij vrijwel niets bereikt voor Suriname of voor zijn eigen achterban. Afgezien van intimidatie of ostentatief financieel vertoon, zou hij zelf niet eens kunnen uitleggen, welke concrete verworvenheid zijn langdurige politieke betrokkenheid het land exact heeft gebracht.
De coalitietop ziet de ABOP liever gaan dan komen. Vrijwel alle bestuurlijke blunders onder Santokhi en vervolgens Simons, dragen de opzichtige vingerafdrukken van de ABOP, terwijl geen enkel lichtpuntje aan hen valt toe te schrijven. Internationale partners en serieuze investeerders, evenals de ambassademissies van ontwikkelingspartners, zullen dan ook een zucht van verlichting slaken wanneer de gele dinosaurussen plaatsnemen in de oppositiebanken en zich niet langer vermommen als een factor van betekenis aan de grote-mensen-tafel. Wie daarover twijfelt, mag de leiding van die organisaties een microfoon of camera onder de neus drukken en vragen Leo of Ronnie Brunswijk een welgemeend compliment te maken, en vervolgens de stopwatch erbij houden om te zien, hoe lang het duurt, voordat er iets oprechts over hun lippen komt.