BESCHOUWING — Jaarrede 2026: Koffiedik kijken en heel veel hopen

President Jennifer Geerlings-Simons (l) overhandigt, bijgestaan door minister Adelien Wijnerman van Financiën en Planning (m), de koffer met de begroting aan waarnemend griffier Dino Oedit (r).
Shoeket logo

Bron: De Ware Tijd

5 Oktober 2026 10:33

Voor mij lezen

De woensdag door president Jennifer Geerlings-Simons uitgesproken jaarrede bevatte zoals gebruikelijk heel veel goede voornemens en talloze beloften van de regering. Voor- en tegenstanders haastten zich daarna – zoals gebruikelijk – om in de media hun bewondering of afkeuring te uiten. Nu de eerste stofwolken zijn opgetrokken, kan een voorzichtige conclusie worden getrokken: het betoog was vooral koffiedik kijken over wat de toekomst zal brengen en vooral heel veel hopen dat het allemaal goed zal komen.

Tekst Armand Snijders

Beeld CDS

Wie de regeringsverklaring voor het dienstjaar 2027 doorneemt, ontkomt niet aan een herkenbaar gevoel dat het meeste al eerder is verteld. Het staatshoofd schetste een horizon vol bloeiende landbouw, een herstelde gezondheidszorg, hernieuwde koopkracht en een stabiele Surinaamse dollar. Het is een droombeeld dat elke Surinamer ongetwijfeld deelt. Echter, wanneer de beleidsvoornemens worden ontdaan van hun politieke franje en worden getoetst aan de bijbehorende ontwerpbegrotingen, blijft er een gapend gat over tussen ambitie en de realiteit.

“De jaarrede blinkt uit in ‘wat’ de regering wil doen, maar blijft hopeloos vaag over het ‘hoe’ en ‘door wie'”

De rode draad in deze jaarrede is geen sluitend financieel-economisch plan, maar een diepgaand geloof in de oliedollars die vanaf 2028 moeten gaan stromen, vermengd met de hoop dat de Surinaamse samenleving tot die tijd het hoofd boven water kan houden.

Het gepresenteerde beleid wankelt onder het gewicht van een aanhoudend begrotingstekort. De regering belooft grootschalige investeringen in de infrastructuur en een significante uitbreiding van het sociale vangnet. Echter, tegelijkertijd blijven de noodzakelijke structurele staatsinkomsten achter. En om daarbij te helpen, wil de regering weer heel veel geld gaan lenen. Maar of dat nou zo’n goed idee is?

Het macro-economische stabilisatieprogramma, dat de afgelopen jaren de samenleving zware offers heeft gekost, lijkt in deze jaarrede te worden ingeruild voor een populistischer uitgavenpatroon. Dat is ongetwijfeld gedaan onder druk vanuit de achterban en om de samenleving gedeisd te houden. Echter, geld dat er niet is, kan men niet uitgeven zonder de inflatiespiraal opnieuw aan te jagen.

Bureaucratie en cliëntelisme

Op sociaal gebied werd de vinger op de zere plek gelegd: de armoede is diep geworteld en de middenklasse is nagenoeg gedecimeerd. De belofte om de koopkracht te versterken via belastingmaatregelen en gerichte subsidies klinkt leuk. In de praktijk van de afgelopen jaren hebben we al geleerd dat de uitvoering van dit soort systemen vaak strandt in bureaucratie en cliëntelisme. De transformatie van objectsubsidies naar subjectsubsidies is nog altijd niet volledig en efficiënt doorgevoerd, waardoor de zwaksten in de samenleving buiten de boot dreigen te vallen.

Nog urgenter is de crisis in de gezondheidszorg, een sector die in de jaarrede weliswaar veel lippendienst bewezen kreeg, maar waarvoor de concrete reddingsplannen uitbleven. De president sprak over het herstellen van de ziekenhuizen en het stoppen van de braindrain van verpleegkundig en medisch personeel. Hoe men dit denkt te bereiken met de huidige krappe budgetten en de internationale concurrentie op de arbeidsmarkt, bleef onbeantwoord. Het blijft sowieso dweilen met de kraan open zolang de basisvoorzieningen in de ziekenhuizen zelf ontbreken en medische verbruiksartikelen nog altijd niet kunnen worden gegarandeerd.

Strakke partijlijnen

Zoals verwacht waren de politieke reacties langs strakke partijlijnen verdeeld. Binnen de coalitiekringen wordt de jaarrede geprezen als een “gedurfd en sociaal bewogen masterplan”. Prominente coalitieleden haastten zich te verklaren dat de president heeft getoond oog te hebben voor het lijdende volk.

Echter, de coalitie vraagt de samenleving wéér om geduld en vertrouwen, met het argument dat de fundamenten voor duurzame groei nu worden gelegd en dat de vruchten daarvan in het komende dienstjaar zichtbaar zullen worden. De samenleving zal denken: ‘eerst zien dan pas geloven’.

Aan de andere kant van het politieke spectrum is de kritiek niet mals. De oppositie spreekt van een ‘sprookjesboek’ en een ‘verkiezingstoespraak avant la lettre’. Ofwel een soort verkiezingstoespraak, terwijl de verkiezingen nog lang niet in zicht zijn.

Volgens critici ontbreekt sowieso elke vorm van zelfreflectie. Men verwijst naar de stijgende criminaliteit, de aanhoudende devaluatiedruk op de Surinaamse dollar en het uitblijven van de beloofde corruptieaanpak. De oppositie wijst er bovendien op dat de begroting voor 2027 onrealistisch is en dat de burger de misrekeningen van het beleid uiteindelijk zal moeten betalen via verhoogde tarieven voor gas, stroom en water en via indirecte belastingen.

Gebouwd op drijfzand

Buiten de politieke arena is het oordeel van economen en maatschappelijke deskundigen een stuk gereserveerder en zakelijker, maar daardoor niet minder kritisch. Financieel-economische analytici wijzen erop dat de economische groeiprognoses die de regering hanteert, aan de optimistische kant zijn. Het beleid zou zelfs gebouwd zijn op drijfzand. Veel is afhankelijk van internationale marktprijzen voor goud en olie, factoren waar Paramaribo totaal geen invloed op heeft.

Het IMF-programma en de strenge fiscale discipline die daarmee gepaard gaat, laten bovendien weinig ruimte over voor het gulle uitgavenbeleid dat de president in haar jaarrede suggereerde. Gevreesd wordt dat de regering bakzeil zal halen en harde bezuinigingen moet doorvoeren, met mogelijk maatschappelijke onrust tot gevolg.

Een dun koord

De jaarrede voor het dienstjaar 2027 laat een regering zien die balanceert op een dun koord. Enerzijds is er de noodzaak om de bevolking perspectief en verlichting te bieden na jaren van bittere armoede en opoffering, die in feite al onder een voorgaande NDP-regeringen van Desi Bouterse (2010-2020) zijn ontstaan. Aan de andere kant is er de realiteit van een behoorlijk lege staatskas en een wankele economie.

Geerlings-Simons doet ondertussen een beroep op nationale eenheid en hoop en een brug te slaan tussen deze twee uit elkaar liggende werelden. Maar in de harde wereld van de macro-economie is hoop geen strategie, daar kan je ook geen beleid op bouwen. Zolang de regering de vinger niet op de zere plek durft te leggen – namelijk dat Suriname al decennia boven zijn stand leeft en de productiebasis te smal is om de ambities na te kunnen streven – blijft elke jaarrede vooral een kwestie van koffiedik kijken.

De jaarrede blinkt uit in ‘wat’ de regering wil doen, maar blijft hopeloos vaag over het ‘hoe’ en ‘door wie’. Het blijven niet anders dan goede voornemens in letters op papier. De komende tijd zal moeten uitwijzen of deze regering toch in staat is om de beloften om te zetten in daden of dat wederom moet worden geconcludeerd dat de kloof tussen de geschreven tekst en de realiteit van de Surinaamse burger onoverbrugbaar is gebleken. Vooralsnog overheerst vooral de twijfel.

Bekijkt origineel bericht ⇒

Meer actueel